Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 09/12/2015 Paul Dessein Sint-Isidoor

Sint-Isidoor is een Spaanse heilige uit het rijke Roomse leven. In Spanje heet hij: Isidro. Via min of meer duistere wegen is de brave man verbonden geraakt met Uitkerke dankzij een paardenzegening die onder impuls van Kerk en Cultuur is uitgegroeid tot een dierenzegening – huisdieren – in het algemeen. Heden ten dage heet zoiets een 'happening' en omdat het te maken heeft met datzelfde rijke Roomse leven wordt de eigenlijke zegening door een misviering voorafgegaan. Dat feest heeft plaats begin december.

In de kerk zaten duidelijk meer mensen dan gewoonlijk om de mis bij te wonen. Ik verkies de iet of wat ouwere uitdrukking, de mis bijwonen, boven aanwezig zijn op de 'eucharistieviering'. Ik heb 'eucharistie' al altijd een bijzonder moeilijk woord gevonden. Duidelijk meer mensen: het bewijst dat ook het moderne Godsvolk onderweg niet ongevoelig is voor een beetje 'spektakel'.

De misviering werd opgeluisterd door een prachtig jachthoornensemble. Het geluid van die jachthoorns grijpt mij altijd heel diep aan. Het heeft te maken met mijn vroegere neiging tot romantische verafgoding. Van de jacht bijvoorbeeld. Let wel: ik heb nog nooit een jachtgeweer in handen gehad (en zal dat ook nooit doen). Ik weet natuurlijk wel dat een potje beperkt jagen goed is voor de natuur, en toch: ik zou het gewoonweg niet over mijn hart krijgen een beestje uit de wilde natuur neer te leggen met dat superieure wapen van de 'slimme' mens. Maar het ritueel van bijvoorbeeld de Engelse georganiseerde jachtpartijen: onvergetelijk mooi. Jacht en jachthoorns doen mij vooral denken aan wouden, aan het woud, aan dat oeroude Germaanse woord dat nog altijd Duits is: Wald. Het ensemble heette dan nog 'WALDO': genoeg om helemaal in de woudensfeer te worden ondergedompeld. Bovendien hadden de blazers een echte vaalgroene loden jagersjas aan: mein Liebchen, was willst du noch mehr?

Maar.
Maar plots, tijdens de heel mooie misviering, weerklonk daar een licht klagelijk geluid. Het geluid van een heel klein hondje, het huisdiertje bij uitstek. Het zachte kermen drukte een verlangen uit om eens heerlijk vrij te keffen, maar dat is hij in zijn vermenselijkte groot worden afgeleerd: dan maar een stil aanhoudend geweeklaag met een oerverlangen naar hondse vrijheid die hij heel diep in zijn genen nog met zich meedraagt. Zo'n smekend gekriep kun je nog het beste vergelijken met het net niet huilen van een klein kind, een klein kindje, een baby, die nog even de zachte weg bewandelt vooraleer het alle hens aan dek roept en overschakelt naar orkaankrachtig tieren om zijn verlangen naar iets kenbaar te maken. Te vergelijken ook met het jammerende, melancholisch bijna, geroep van de eenzame uil die 's avonds, met onhoorbare vleugelslag!, over onze polders klapwiekt. Wie dat gehoord heeft begrijpt ook beter de uitdrukking: daar zitten uilen op het dak.

Je hoort, amper hoor je het, dat een ander al even klein hondje, wil antwoorden, nauwelijks durft echter, ook al onderworpen aan de vermenselijking van zijn hele leven, maar het toch niet kan laten. Op dat ogenblik hangt er een zekere spanning in de kerkruimte: zo van honden onder elkaar die nu het liefste samen zouden spelen, maar dat niet durven: dat wel doen zou de opstand van het hondenheir in kunnen luiden, en dát, dát willen de baasjes natuurlijk niet.

Dat echter was nu niet naar de zin van een een blijkbaar grotere hond. Hij onttrok zich aan het wurgende onderworpen zijn en liet een luid, helder, overtuigend basgeblaf horen waarin het jubelen van durf en heroverde vrijheid de boventoon voerde. Eigenlijk leefde ik met die hond mee: een begin van een soort 'verhondsing' als een stap in de richting van de vermenselijkte hond. Het bleef wel bij een heftige, kortstondige opflakkering. Baasje moet zijn opgetreden. Even heb ik nog gezien dat een van die hondjes, in het kerkgebouw, een jasje om had, zoiets als een handige overall met drukknopen. Op het plein van de eigenlijke zegening heb ik dan nog hondenpakjes in alle mogelijke maten gezien. Het deed me denken aan het beroemde vers: 'In het Westen dragen honden gebreide vesten'.

Deze dierenzegening was in wezen ooit een paardenzegening. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om vast te stellen dat heel wat boerenpaarden (wat vind ik dit prachtige en krachtige 'beesten') ontstaart waren. Mag dat wettelijk nog? Wat ooit een heerlijk natuurlijke vliegenmepper was is verworden tot een dotje, een knoetje een bolletje harigheid net boven het indrukwekkende aarsgat. Hoe noem je zoiets: een gatknot, een aarsknoet? Bij god, ik zou het niet weten.

Ik ben alleen blij dat de aap tijdens zijn lange evolutieparcours op weg naar de 'mens' zijn staart kwijt is geraakt. Je mag er toch niet aan denken!

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be