Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 06/09/2017 Lek Paul Dessein

In nogal beperkte familiekring ga ik door voor een kenner op gebied van fietstochten en herstellen van kleine fietsmankementjes onderweg. Ik wil daar onmiddellijk aan toevoegen dat mijn twee zonen het niet aan kunnen horen dat ze, de familieleden, mijn capaciteiten op dat vlak luide loven. Wat betreft mijn wegenkennis heeft een van de twee de grootste twijfels (niet zonder reden overigens) en de ander mag er niet aan denken dat ik als een soort pechverhelpingsexpert word beschouwd. Ik wil daar nog aan toevoegen dat ze alle twee gelijk hebben.

Tijdens die familiefietsuitstapjes – waar mijn zonen, gelukkig maar, niet aan meedoen – bid ik de Heer dat ons niets overkomt, omdat ik dodelijk bevreesd ben dat er iets zal gebeuren wat mijn beperkte mogelijkheden zal overstijgen, waardoor ik met de billen bloot zou gaan. Niemand heeft dat graag, ik ook niet, temeer omdat die van mij al in vrij vergevorderde toestand verkeren. Daarom ook adviseer ik, nee, bezweer ik iedereen die meegaat, familie of niet, hun fiets zo nauwkeurig mogelijk na te zien. Ik ga daar dan ook behoorlijk ver in. Ik vraag ze voldoende hard geblazen te rijden (in aanvallen van plechtigheidsdrang heb ik het over 'bandendruk'), ik raad ze aan even te kijken naar de kettingspanning (zeer belangrijk en zeker met het oog op eventueel vettige en vuile handen), ik dring erop aan te zorgen voor een beetje reparatiemateriaal en voor de mensen die een fiets hebben met speciale moeren vraag ik een gepaste sleutel mee te brengen. En ook verbied ik bijna te starten met een roestige ketting.

Omdat ik doorga voor kenner wordt mij dat allemaal vergeven. Sterker nog: ik word ervoor bedankt, en luide! Zo is het ons gelukt zonder pech door het leven te gaan, op een lekke voorband na. Het vervangen van een voorband stelt gelukkig niets voor. Mijn schoonzus viel dan ook bijna omver van bewondering toen ik in een mum van tijd de klus klaarde. Ik geloof zelfs dat ik een kuise kus op mijn wang als trofeeachtige beloning kreeg. Ik weet het niet meer precies, in de wolken als ik was met dat kleine succesje.

Maar aan lange periodes van ongelooflijke voorspoed komt ook ooit een einde: wie herinnert zich niet het enig mooie verhaal van de zeven vette en de zeven magere jaren? Verleden jaar was een 'mager' jaar! We hadden met de familie een mooie fietstocht gepland in ons lieflijke Limburg, met twee overnachtingen in een bed & breakfast in een rustige en groene omgeving, met de mogelijkheid ter plekke, 's avonds, uitbundig te eten. Limburg is natuurlijk en vanzelfsprekend mooi. We fietsten constant over rustige, groene landelijke wegen en vrij geregeld ook doken we het bos in al over droge – het had een hele tijd niet geregend! – bosweggetjes. De lol kon niet op. Ons groepje aanvaardbaar oude mensen werd er warempel luidruchtig bij. De oorspronkelijke bosbewoners werden er zelfs stil van. Wij voelden ons bijna bosgoden.

Toen, op dat eigenste ogenblik van tranceachtige vervoering, sloeg het noodlot toe: het zo gevreesde noodlot heeft, hier past het woord, de noodlottige gewoonte zich te melden op topmomenten in het menselijke bestaan, zoals daar zijn, zoals we vroeger leerden opsommen, een heugelijke fietswandeling door een verkwikkend verkoelend bos in een warme zomer in ons eigen Limburg. We kwamen uit het bos. We voelden aan dat we weer het andere gedeelte van het bos in moesten, maar een bordje maakte ons diets dat we niet rechtdoor konden – om God weet welke reden – en dat we dus een wegomlegging moesten volgen. Die vervloekte wegomlegging leidde ons langs een grote weg met steentjes en met randjes en met rommel en ijzeren bocht. Daar hoorde ik het sissende geluid van mijn eigen achterwiel. Ik kreeg een slag in mijn gezicht. Bovendien had ik mijn zogenaamde racebril op. Heel nauwkeurig zien, deed ik eigenlijk niet. Maar kom. Ik meende een snee te zien in mijn buitenband. Zeker was ik niet. Ik had wel kunnen huilen. Een kapotte buitenband in het verre Limburg was bijna even erg als de hel uit mijn kinderjaren.

Goed. Onder het oog van mijn verzamelde familie heb ik de binnenband van het achterwiel vervangen. Een hels karwei! Ik wou mijn achterband nu, mijn eigen principes indachtig, voldoende hard blazen. Mijn pomp werkte niet zo goed: mijn eigen pomp! Toen nam ik het besluit met een minder hard geblazen band naar ons hotel te fietsen via een aangepaste route. Het was de laatste dag. We hebben alle fietsen geladen.

Thuis gekomen wou ik onmiddellijk mijn fiets weer hard oppompen. De knal die ik plots hoorde zal mij nog jaren achtervolgen. Als ik niet oppas zal ik er later oorsuizingen aan overhouden. Dat alles is gebeurd in de stilte van ons eigen huis. Voor mijn familie blijf ik de duivelskunstenaar als het op herstellen van kleine pech aankomt, zo bijvoorbeeld tijdens fietstochten in ... Ik laat het me voorlopig nog aanleunen.

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be