© Krant van Blankenberge | Een Vissersleven: Leven of Hel
Auteur Dany De Soete Een Vissersleven: Hemel of Hel :: De Blankenbergse haven ::

Al is de Blankenbergse haven niet groot en evenmin diep toch hebben de Blankenbergse voorvaderen er omzeggens twee eeuwen lang moeten voor ijveren. Ja, zelfs voor bedelen! De bouw van een schuilhaven heeft inderdaad heel wat geschrijf en vooral zeer veel geduld en energie gekost en zoals de stapels documenten, plannen en petities ons leren waren eertijds de politieke mandatarissen even taai, volhardend en schrijflustig als nu.

De werken starten in 1862 en in 1871 was de haven zeker in gebruik. Normaal was de overname van de werken voorzien voor 1865 maar ieder kent zo min of meer de legendarische stiptheid van Openbare Werken. Daarmede hadden de Blankenbergse vissers met namen als Azaert, Bisschop, Cattoor, De Bruyne, De Coninck, De Graeve, De Rycker, Falin, Gadeyne, Jurewitz, Marranes, Ponjaert, Popelier, Regoudt, Van de Pitte, Van Heetvelde, Van Wulpen, Waeghe, Wille, Wittewrongel en anderen hun lang bedongen schuilhaven.

Wat echter toen niemand besefte is dat Blankenberge in vroegere eeuwen niet éen maar twee havens in gebruik had! Laten we ze met de moderne termen aanduiden als een 'binnenhaven' en een 'buitenhaven'. Wat de Blankenbergse vissers de Centrale Regering eeuwenlang hebben afgesmeekt namelijk een aanlegplaats voor hun schuiten bestond inderdaad reeds ín de 15de eeuw tot in de loop van de 16de eeuw. Nabij de vuurtoren beschikten de vissers over een houten 'caeye': een soort beschermde aanlegsteiger voor hun vaartuigen. Inlichtingen over het bestaan ervan lopen van 1473 tot in de 16de eeuw en dit steeds naar aanleiding van herstellingswerken. We veronderstellen dat die 'caeye' tijdens de Geuzentijd, dit wil zeggen in het laatste kwart van de 16de eeuw verdween toen de Blankenbergse bevolking tot slechts een 100-tal zielen terugliep en de visserij toen nagenoeg onbestaande was. Na de Geuzentijd is van die primitieve buitenhaven echter geen sprake meer en de herinnering eraan scheen verloren.

De binnenhaven van Blankenberge dateert eveneens uit de 15de eeuw en die lag ongeveer ter hoogte van de Noord-Oosthoek van het huidige Leopoldpark dus aan de hoek Leopoldstraat-Franchommelaan. Daar was de aanleg-, los- en laadplaats voor de binnenschepen. Van daar bestond een verbinding met de Grote Ede of de Blankenbergse vaart die op zijn beurt aansluiting gaf met de Oostendse vaart. Voor het transport in vroegere eeuwen verkoos men de waterwegen boven de slijkerige landwegen. Langs de Blankenbergse vaart bracht men al het nodige materiaal voor de duinenbescherming en versterkingen alsook alle bouwmateriaal als stenen en hout. Ook vee werd via die route getransporteerd. Op de kaai loste men door middel van een 'wippe' of takel de bouwmaterialen die men te Blankenberge kon gebruiken. Daar scheepte men voornamelijk de Blankenbergse vis in die overal in de Nederlanden zo gegeerd was.

Dat die binnenhaven of 'kommeken' zoals de documenten de aanlegplaats noemden en de verbinding met de Blankenbergse vaart essentieel voor de vistoevoer in stand gehouden werd blijkt uit twee feiten: ten eerste is het zo dat na de Geuzentijd, toen de veiligheid opnieuw in onze gewesten heerste en ook de visserij opnieuw op gang kwam, men de vervuilde vaart en de kom opnieuw uitdolf en de tekst zegt duidelijk: "Tot grooten dienste ende gherieve vande visschers en de coopers van hemlieden visch". Het belang van de waterweg voor de vishandel blijkt in de tweede plaats uit het feit dat pas van 1723 af, toen de brede en rechte kalsijdeweg van Blankenberge naar Brugge klaar was, elk onderhoud aan de kom wegviel. Die nieuwe steenweg betekende immers een veel betere en vluggere verbinding met Brugge voor de vissers. Zo hield in 1725 de binnenhaven of 'kommeken' eveneens op te bestaan.

Na de troebele periode van de Geuzentijd bloeide de Blankenbergse visserij opnieuw op.

# in 1648: 16 schuiten
# in 1698: 30 schuiten
# in 1705: 35 schuiten
# in 1750: 50 schuiten
# in 1790:77 schuiten

Ten gevolge de toename van het aantal vaartuigen gingen in de visserijkringen stemmen op om een schuilhaven te bekomen. Een merkwaardig rekwest of smeekschrift tot de koning dateert van 1699. Daarin wijzen de Blankenbergse vissers erop hoe ze dagelijks hun leven wagen: 'lnde woeste ende ontstuymische zee... in hunne soo periculeuse booten, in dewelke sy noijt in trooghe syn'. In ditzelfde schrijven vragen ze de aanleg van een haven van 50 roeden lang, 40 roeden breed en een toegangsgeul van drie roeden d.w.z. een kom van ongeveer 192 meter op 153 meter en een vaargeul van ongeveer 11,5 meter. Op een vage schets bewaard in het rijksarchief te Brugge vinden we dit 'kommeken' ingeplant aan de Oostkant van Blankenberge.

lees verder
© www.krantvanblankenberge.be