© Krant van Blankenberge | Een Vissersleven: Leven of Hel
Auteur Dany De Soete Een Vissersleven: Hemel of Hel :: De Neeringhe van de Visscherie te Blankenberge ::

Er zijn aanwijzingen dat voor het herbeginnen van de zeevisserij te Heist ca.1758 jonge Heistenaars en jongeren uit Lissewege, Wenduine, Ramskapelle en andere dorpen uit de omtrek in de Blankenbergse visserij wilden aanmonsteren als laver om vervolgens maat en zelfs stuurman te worden.

In Blankenberge waakt het vissersgilde of nering streng op de toepassing van haar reglement. De reder en visser mogen hun beroep slechts uitoefenen als hij bij de nering aangesloten is. Hij moet eerst het inschrijvingsgeld betalen. Volgens het reglement van 1696 is iedere stuurman, maat (matroos) en laver (leerjongen) 1 pond groot 2 schelling schuldig. Namelijk 1 pond voor de nering en 2 schelling voor de thesaurier en griffier. De reder en de schrijver worden 2 pond groot aangerekend met het toemaatje voor de griffier. Is iemand tezelfdertijd reder en schrijver of reder en stuurman, dan wordt slechts 2 pond gevraagd.

In de eerste helft van de 18de eeuw blijft dit tarief voor de stuurman, maat, reder en schrijver ongewijzigd. De nering verandert het bedrag dat de laver moet betalen, onafhankelijk van de beslissingen van de regering. Dit gebeurt ten nadele van de niet-Blankenbergenaars en de niet-visserskinderen. De vissersnering wil haar Blankenbergse leden beschermen door de vreemden erbuiten te houden. Een middel daartoe is de vreemden het leerjongenschap te beletten. Vooraleer stuurman of maat te worden moet men eerst laver (leerjongen) zijn geweest. Als vreemden niet als laver worden aangenomen kunnen zij geen maat of stuurman worden zodat de vissersnering een gesloten karakter krijgt.

De vissersnering houdt jaarlijks een tarwebedeling voor haar leden en beschíkt daartoe niet altijd over het nodige geld. Tegen een hoge som laat zij dan niet-Blankenbergenaars en niet-visserskinderen toe om laver te worden. In de jaren 1720-1730 wordt van lavers die geen Blankenbergse visserskinderen zijn 10 pond groot geëist en van de vreemden 16 pond 13 schelling en 4 groten. Dat bedrag blijft tot 1733 ongewijzigd. Als er in 1736 voldoende geld voor de tarwebedeling is vervallen het 10 pond groot die men aan de niet-visserskinderen vroeg en verbiedt men aan de vreemden om als laver te varen.

Deze handelswijze van de nering wekt ontevredenheid bij sommige van haar leden. Menig reder of stuurman heeft een ver familielid als laver in dienst genomen en daarvoor een hoge príjs betaald. Als hij verneemt dat hij een tijd later hetzelfde voor veel minder geld kan bekomen, gaat hij bij de nering zijn geld terug eisen. Het komt zover dat de regering in 1737 verplicht is in te grijpen. Zij verbiedt het vissersgilde op eigen initíatief belastingen te heffen zodat aan de willekeur een einde wordt gesteld.

De regering heeft geen bezwaar dat de vissersnering een onderscheid maakt tussen Blankenbergenaars en vreemden. Tussen 1731 en 1753 brengt de nering het tarief voor de Blankenbergse stuurlui, reders, maats, schrijvers en lavers op 1 pond groot en voor degenen die niet in de stad wonen op 2 pond groot. Die belasting blijft onveranderd tot in 1767 wanneer de vreemden 3 pond en de inwoners 2 pond moeten betalen. De nering regelt alles naar eigen zin. In 1768 rekent zij zonder onderscheid te maken tussen stuurlui, maats, schrijvers en lavers 3 pond groot aan de vreemden en 1 pond aan de Blankenbergenaars. Dit tarief is in 1774 nog onveranderd.

Eens het lidgeld betaald aan de nering mag voor de visvangst uitgevaren worden. Op de gevangen vis hoort ook een belasting te worden betaald. Tussen 1731 en 1753 betalen de reders, de stuurlui en de maats 10 stuivers per pond groot aan de nering op de opbrengst van de vis die ze hebben gevangen. De vis door de laver gevangen wordt afzonderlijk opgetekend door een 'schrijver van de laver'. Dit ambt wordt verhuurd door de nering aan de meest biedende. De belasting bedraagt 2 stuivers per pond groot op de vis van lavers en voor de schrijver 4 stuivers voor zijn taak. In 1756 wordt dit bedrag samen 8 stuivers per pond groot gebracht voor de vis met het laversnet gevangen. De vis welke de vissers bij gelegenheid te Oostende, Sluis, Middelburg en Vlissingen verkopen wordt ook door de nering belast.

De bemanning is verplicht om bij elke overtreding van het reglement boeten te betalen aan de nering. De meest voorkomende gevallen zijn: meer netten uitzetten dan geoorloofd is, het gebruik van netten met te kleine mazen, gaan vissen met netten die op dat ogenblik niet toegelaten zijn. Het was de Blankenbergse vissers streng verboden op zon- en heiligendagen uit te varen om te gaan vissen. Alle beslissingen genomen door de 'Eed' of bestuur van de vissersnering dienden opgevolgd te worden.

lees verder
© www.krantvanblankenberge.be