© Krant van Blankenberge | Een Vissersleven: Leven of Hel
Auteur Dany De Soete Een Vissersleven: Hemel of Hel :: De mande van pater Pieter ::

Gedurende de oorlog tussen Filips-II en Elisabeth van Engeland in het laatste kwart van de 16de eeuw beschouwden de Engelsen de Vlaamse vissers als onderdanen van Spanje. Talrijke vissersschuiten met hun bemanning werden door de Engelse vloot gekaapt en naar Engeland gevoerd waar de bemanning in gevangenschap werd gehouden. Zo waren talrijke boten weggehaald geworden en de achtergebleven vrouwen en kinderen leden bittere armoede. De Blankenbergse vissersnering en de overheid van Blankenberge wendde zich tot de Engelse paters Kartuizen van Nieuwpoort om te bemiddelen met hun ordebroeders in Engeland om de gevangenen los te kopen waarvan sommigen zich ruim drie jaar in kerkers bevonden. De paters moesten hiervoor herhaaldelijk naar Engeland reizen wat hen veel geld kostte. Dat konden de vissers echter niet betalen: zij waren er te arm voor zodat daarom een overeenkomst werd gesloten. De vissersnering ging een akkoord aan met de paters Kartuizen om 'ten eeuwigen dage' van elke schuit na iedere vangst een zekere hoeveelheid vis te schenken aan het klooster. Die vis, vervat in een korf of een mand, werd genoemd 'vischquote' of 'vischkorf' of nog 'mande van pater Pieter'. De vis werd verkocht en de opbrengst gestort aan het klooster der Kartuizen. Om zelf die vis niet te moeten ophalen of het geld, verhuurt het klooster dit recht aan de Blankenbergse vissersnering met een pacht van drie, zes tot negen jaar. De nering sloeg er zelf winst uit en een lid van 'de Eed' bracht de verschuldigde som naar de zaakgelastigde van het klooster. De overeenkomst was eeuwigdurend en nam een aanvang in 1659.

De hele 1de en 18de eeuw door betaalden de vissers regelmatig hun deel in de 'mande van pater Pieter'. In 1775, hetzij dus 116 jaar later, waren de vissers echter van mening dat ze nu lang genoeg betaald hadden en ze besloten een einde te stellen aan de 'mande van pater Pieter'. Bij kanunnik De Blauwe te Brugge gingen ze hun openstaande schuld betalen en een nieuwe pacht aangaan. De Kartuizers zijn het hier niet mee eens: de overeenkomst gold immers 'ten eeuwigen dage'. Ze leggen een klacht neer bij Keizerin Maria-Théresia die de zaak door de Hoge Raad van Vlaanderen laat beslechten. De paters krijgen gelijk en verkrijgen de goedkeuring van hun vraag met terugwerkende kracht zodat de vissersnering de 'mande' moet blijven betalen en de vissers verplicht bij iedere vangst te blijven denken aan de 'mande van pater Pieter'. De alles overspoelende vloed der Franse overheersing heeft er evenwel een einde aangesteld.

lees verder
© www.krantvanblankenberge.be