© Krant van Blankenberge | Een Vissersleven: Leven of Hel
Auteur Dany De Soete Een Vissersleven: Hemel of Hel :: Rivaliteit tussen Blankenbergse en Heistse vissers ::

Vissers afkomstig uit Heist, Lissewege, Wenduine, Ramskapelle en andere dorpen die 'om den brode' willen aanmonsteren op de Blankenbergse zeevisserijvloot zijn vermoedelijk het protectionisme, de discriminatie, de diverse belastingen en de strikte regelgeving van de Blankenbergse vissersnering beu. Zij vestigen zich in Heist en varen voortaan uit van op het Heistse strand waar ze ook aanmeren.

In 1760 bestaat de Heistse vissersvloot uit drie platbodems 'schuiten van het Blankenbergse type'. Voor de visverkoop bouwen ze een huisje aan de grens van Blankenberge op het gebied van het Brugse Vrije. Het is de bedoeling om kooplieden van die druk bezochte stad te lokken. Inmiddels hebben ze langs de magistraat van het Brugse Vrije om, van de regering in 1763, een octrooi verkregen dat Heist erkent als vrije vissersplaats en ook de toelating om te Blankenberge en op andere plaatsen te verkopen. De Heistenaars maken dankbaar gebruik van de toelating en voeren hun vis met paard en kar naar Blankenberge.

De verkoop te Blankenberge bezorgt de Heistse vissers moeilijkheden met het vissersgild van deze stad. In 1786 werden een paar vissers aangehouden door B. Van Windekens baljuw van Blankenberge en opgesloten in de gevangenis. Het Brugse Vrije betaald aan de baljuw 12 pond groot. 'Over het loslaeten van verscheyden aerme visschers van Heyst uyt de gevangenisse te Blankenberghe'.

De onenigheid tussen de Blankenbergse en Heistse vissers bereikt terug een hoogtepunt in 1790. De vissers van Blankenberge richtten een klacht tot de Deken en 'Eed' van de 'Vrije Visscherye der stede en port van Blankenberghe', die de klacht overmaakt aan de Staten van Vlaanderen. In hun rekest beklagen ze zich hoe sedert jaren de zeevissers van Heist dagelijks hier hun vis komen verkopen in Blankenberge. Te Heist varen ze uit op zon- en heiligendagen wat te Blankenberge verboden is. Vooral in de zomer komen ze hun vis verkopen op zaterdag, zondag en maandag wanneer de Blankenbergse vissers niet mogen uitvaren. De Heistse vis wordt dan gekocht door Blankenbergse 'facteurs' en kooplieden die reeds geriefd zijn wanneer de Blankenbergse vissers uit zee komen. De aanvoer van vis uit Heist doet de prijs dalen van het Blankenbergse aanbod omdat de vissers van Heist vroeger op de markt zijn dan deze van Blankenberge.

De vissers uit Heist moeten geen rechten betalen terwijl deze uit Blankenberge voor iedere 'schuyte' vijftien gulden moeten betalen. Ze vragen aan de Staten van Vlaanderen dat de vissers van Heist ook 'schuytegeld' zouden betalen ofwel dat deze uit Blankenberge daarvan zouden ontslagen worden en dat de verkoop van vis uit Heist te Blankenberge zou verboden worden. De Blankenbergse vissersnering wil hen, net als die van Blankenberge, 10 stuivers per pond groot doen betalen op al de vis die ze verkopen. Na beraad ontslaat de Raad van Financiën de Heistse vissers van deze belasting omdat de Blankenbergse vissersnering dit geld voor het kopen van wintertarwe voor haar leden gebruikt en de Heistse vissers daarmee niets te maken hebben.

Een tweede klacht van de Blankenbergse vissersnering bij de Staten van Vlaanderen drong opnieuw aan op een verbod voor de verkoop van vis uit Heist te Blankenberge. Beide klachten werden door de Staten van Vlaanderen overgemaakt aan de magistraat van het Brugse Vrije waaronder de parochie Heist ressorteerde. Het Brugse Vrije maakte op 24 maart 1790 de zaak voor advies over aan de vissers van Heist en op 5 mei 1790 zond het Brugse Vrije het antwoord aan de Staten van Vlaanderen.

De vissers van Heist hadden op 17 augustus 1782 een vernieuwing van het octrooi van 1763 bekomen voor de zeevisserij. Dat liep over twintig jaar en had 150 gulden gekost. In het antwoord stond verder: 'Dat men de liberteyt toegestaen aen de visschers van Heyst niet en kan benemen' zonder de totale ondergang van hun visserij. De 'parochie van Heyst' is ook niet groot genoeg zodat er zich daar kooplieden zouden vestigen. Bovendien is de weg van Heist naar Brugge voor een stuk niet bruikbaar. Er werd wel aan de vissers van Heist verboden op zon- en heiligendagen in zee te steken. De berijder (gerechtsdienaar) van het Ambacht Lissewege werd belast deze zaak in het oog te houden. Het geschil had geen verder gevolg voor de vissers van Heist. Deze laatsten zonden een brief naar de magistraat van het Brugse Vrije om te bedanken voor de tussenkomst bij de Staten van Vlaanderen. Deze brief was ondertekend door vijf Heistse stuurlieden, vier handtekeningen en één merk van iemand die niet kon schrijven: Franciscus Vandemoere, Joannes Vandemoere, Jacobus Savels, Andries Homers en Francoys Degroote. Deze laatste zette een merk.

lees verder
© www.krantvanblankenberge.be