© Krant van Blankenberge | Een Vissersleven: Leven of Hel
Auteur Dany De Soete Een Vissersleven: Hemel of Hel :: Inleiding ::

In de vroege middeleeuwen.vormde de Vlaamse kustvlakie een uitgestrekt schorrenland dat uit verschillende schapenweiden bestond. De schorrenweide in de sector rond het latere Blankenberge heette Scarphout. Toen ca. 960 de dijklijn Gentele (Blankenbergse Dijk) Evendijk A Zendelinge opgeworpen werd viel Scarphout nog buiten de indijking. Die schapenweide werd enkele jaren later gewonnen door twee dijken die later de West- en de Oostdijk van Blankenberge heten. Binnen het poldertje van de Oostdijk gingen enkele vissers wonen, hun dorp kreeg de naam Scarphout aan de Oostzijde van de Gentele waar ca. 1040 de Evendijk B aangelegd werd. Binnen die dijk ontstond ca. 1070 de parochie Uitkerke. Enkele decennia later won men de strook schorrenland die overbleef ten Oosten van Scarphout en ten Noorden van Uitkerke.

De landwinning vormde de zeewering van die polder en van de bovenbedoelde twee kleinere polders. 100 tot 150 meter Noordelijker lag dan de huidige grens van het vasteland. Overigens maakte Scarphout toen nog deel uit van de parochie Uitkerke. Het groeiende vissersdorp Scarphout werd genomen als het centrum van een nieuwe parochie waar men een kerk ter ere van O.L.Vrouw oprichtte. Wat meer is: de Graaf schonk stadsrechten aan de aanlegplaats Scarphout die vervolgens verscheen onder de naam: 'Stede ende port van Blankenberghe'. Dit nieuwe stadje kreeg een deel van de kuststrook van de parochie Uitkerke toegewezen. De Westelijke wijk van Blankenberge heette Westport en het Oostelijke deel Oostport. Die laatste wíjk omvatte het grondgebied ten Oosten van de Oostdijk (nu Onderwijsstraat). Op het Oosteinde van die sectie stond de galg van de stad Blankenberge.

In de 13de eeuw evolueerde Blankenberge tot een belangrijke vissershaven. Ondertussen begonnen de golven de zeeoever van Blankenberge tot Heist af te knagen. In die sector bestond de grens van het vasteland hooÍdzakelijk uit de zeedijk van de Oudemaarspolder die onder het beheer van de watering Eiersluis lag. Nadat in 1302 een deel van het dorp Heist voor de zee moest wijken zag het er ca. 1335 naar uit dat ook de oude kern van Blankenberge met de O.L.Vrouwekerk en Scarphout prijsgegeven zou moeten worden. In de wijk Oostport viel de opdringende zee gedurig de dijk van de Oudemaarspolder aan.

In 1337 kwamen Schepenen van het Brugse Vrije een rechtszitting houden op het bedreigde zeefront namelijk 'In die Oostport te Blankenberghe'. Het bestuur van de Watering Eiersluis betoogde dat het nodig was: 'Den zeedyc te beterne ende te versekerne, namelijk van der portcruse totten groten díke van der westwateringhe, ende vord van ere nieuwer insete te berghene, van der portcruse westwaerdt totten groten dike van der westwaeteringhe'. Dit citaat vraagt enige toelichting: de grote dijk was de Oostdijk (Onderwijsstraat), de Oostgrens van de West- of Blankenbergse watering. Op de zeewering van Oudemaarspolder stond in 1337 een 'portcruse': een houten kruis dat als herkenningsteken diende voor de schippers.

Het bovenvermelde verzoek van Eiersluis omvatte twee delen:
1) De bestaande zeedijk tussen de Oostdijk en het havenkruis versterken.
2) In de bedoelde sector een 'insete' bouwen. Een insete of inlaagdijk werd gelegd achter een dijksector die men zou moeten opgeven. Tenslotte viel de uitspraak: 'Dat men zeedyk te 'Blankenberghe in de Oostport betren sude, daer nood ware ende dat men den dyk hoghen soude viere voeten met aerden van der vierboete oostwaerd totten polrekine boosten gaelgen'. Dit betekent dat men de dijksector in de Oostport zou versterken. Verder bepaalde het vonnis dat de bovenbedoelde inlaagdijk zou aangelegd worden. Wat meer is, de sector van de zeedijk tussen de vierboete en het vermeld poldertje moest 1,10 meter verhoogd worden. Dit poldertje lag even ten Oosten van de galg. Hier ontmoeten we voor het eerst de vierboete van Blankenberge. Deze stond vermoedelijk aan de Oostzijde van het havenkruis. We schatten dat beide bakens ca. 300 meter ten Oosten van de Oostdijk stonden. Het is dus duidelijk dat de Blankenbergse vissers toen op het Oostelijk strand aanlegden en dat de bebouwde kom Oostwaarts buiten de Oostdijk opschoof.

Dhr. R. Degryse verklaard dat de vierboete aanvankelijk een houten bouwwerk was. Dit vuurbaken werd niet door de stad maar door een afzonderlijk instantie beheerd. Evenals bij het toenmalige gilde bestond het bestuur uit een 'Eed', dit is een groep beëdigde personen. Die Eed omvatte een Deken, enkele 'sorghers' en een klerk. De leden van het vierboetgilde waren Blankenbergse vissers. Deze betaalden een jaarlijkse bijdrage die ieder jaar gelijk werd verdeeld. Met die inkomsten onderhield het gilde het gebouw, stookte men vuur en voldeed men de vierboeter. Wel moest de stad af en toe financiële hulp verlenen.

Ondertussen was de zeewering van de Oudemaarspolder reeds over haar gehele lengte achteruitgeweken en vervangen door een inlaagdijk die later verschijnt onder de naam Graafjansdijk. De oudere dijken waren weggespoeld en op het nieuwe strand begon zich een duinengordel te vormen.

lees verder
© www.krantvanblankenberge.be