Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 29/07/2015 Paul Dessein Kent en Sissinghurst

In een vlaag van reisdrift besloten mijn vrouw en ik mee te gaan met een daguitstap naar Sissinghurst. Gelukkig was de uitstap op het moment van onze gedurfde beslissing nog veraf. Op het ogenblik dat het reisje echt dichterbij kwam, beseften mijn vrouw en ik ineens – het was een pijnlijk besef – dat wij wel heel vroeg op zouden moeten staan om op de gevraagde tijd bij de bus te komen.

Opstaan om vijf uur ('s ochtends!) ligt al behoorlijk lang buiten onze alledaagse leefgewoontes, niet dat wij een gat in de dag slapen, verre van, maar vijf uur is toch nog andere koek dan een beschaafd menselijk ochtenduur van ergens tussen zevenen en halfacht. Vroeger – altijd dat opspelende vroeger – kwamen we soms om vijf uur 's ochtends thuis. Dat was dán ontiegelijk laat. Met het er natuurlijk bijbehorende halve mopje: vroeg of laat, 't is maar hoe je het bekijkt. (Hahaha).

Overigens werden mijn vrouw en ik tot die uitstap verlokt door de 'shuttle' die, zoals bekend, instaat voor de oeververbinding tussen Engeland (Groot-Brittannië!) en Frankrijk, op zich twee eerbiedwaardige landen. We waren op tijd bij de bus. We waren daar gelukkig om. En nu op weg naar Sangatte naar de shuttle.

Ik weet, eerlijk is eerlijk, zo goed als niets af van die shuttle, dat monster dat zich onder de zee(bodem) een weg baant naar het eiland. Het is een rare én nare bedoening. De bus rijdt op een een trein, beter in een trein en staat daar dan roerloos te staan. Volkomen bewegingsloosheid. Die trein dan rijdt door een soort zwartdonkere koker. Eigenlijk zit je drie keer vast: je bus, je trein, je koker. Als je eenmaal bezig ben met de oversteek voel je geen beweging. Niets. Alleen als je heel goed kijkt, zie je dat je bus een heel klein beetje schudt (waarbij je niets hoort: akelig), een soortement licht beven, het soort trillen dat je kan overvallen als je heel diep ontroerd bent na een vermoeiende dag.

Het is net of je bus in het binnenste van een reuzenslang zit die in diepe krochten in een onderzeese tunnel voortraast zonder dat je ook maar aan iets kunt voelen dat er vaart in je tocht steekt en je hoopt dan maar dat die slang je niet oppeuzelt, want van slangen kun je werkelijk alles verwachten. Ondertussen hoopte ik stilletjes dat ik geen aanval van claustrofobie zou krijgen, dat ik niet in paniek verzeild zou raken. Heel diep, in mijn diepste diep, had ik de neiging, die ik heb onderdrukt, naar mijn moeder te roepen, naar mijn aardse, niet mijn hemelse. Geef mij maar de boot, geef mij maar de open zee, geef mij maar het kielzog, geef mij maar de zon en de wind: dát is reizen, dát is leven. Maar die shuttle, die koker, die reuzenworm, dat is diepdonkere dood: niet (meer) voor mij. Hoewel: zo handig.

Als echte toeristen hebben we door een stukje Kent gereden in een dwergtreintje. Naar onze gids zei, het kleinste treintje dat nog een regelmatige verbinding tot stand brengt, wel overwegend voor schoolkinderen. Met de nodige zin voor vrolijke overdrijving zouden wij volwassenen enkel in foetushouding mee kunnen reizen, aldus alweer onze gids. Maar dat viel nog mee met die foetushouding!

Sissingshurst is een beroemd kasteel dat nog niet zo heel lang geleden werd bewoond door een excentriek echtpaar: ze bleven elkaar trouw maar ze reden alletwee scheve schaatsen op hun zwakke kant: hun homokant. Moet kunnen, zegt of zucht de moderne mens, moet kunnen! Dat kasteel had veel vroeger een mooie tuin en onze twee relatieve excentriekelingen hebben een deel van hun leven gewijd aan de thematische uitbouw van die tuin die nu, tegen een zachte betaling, te bezichtigen is. Onder de deskundige leiding van een plantengids kwamen wij bij een muur. Opgelet: een oude muur in kastelen heeft altijd een bijzonder verhaal. Het verhaal van onze muur was echter van een bedroevende eenvoud: hij was belangrijk omdat hij oud was. Alle oude muren brokkelen af, ook de Britse. Er ontstaan gaten. In die gaten groeien speciale bloemen: de zogeheten muurbloem. Ons excentrieke echtpaar echter liet die muur herstellen en opnieuw voegen. De bloemen verdwenen. De huidige verantwoordelijken hebben die muur kunstmatig oud gemaakt: her en der een beetje steen weggekapt en zelfs gaten geboord in het voegwerk. Nu bloeien de muurbloemen er weer. Vreugde alom.

Muurbloempjes. Meisjes die niet of ternauwernood ten dans werden gevraagd heetten vroeger bij ons muurbloempjes. Nu kan dat niet meer: je komt op de dansvloer als je dat wilt, je maakt enkele al dan niet sierlijke sprongen op het woeste ritme van de disco en je bent opgenomen in het dansgewoel. Ook dat zal dan maar een vorm van emancipatie zijn!

Ik was tussen 17 en 18 jaar. Zoals iedere jongen van die leeftijd waande ik me een kleine koning: de wereld lag aan mijn voeten. Naar aanleiding van onze jaarlijkse kermis mocht ik naar het dansfeest, ons dorpsbal. Ik had al behoorlijk mijn deel gedanst toen ik plots een 'muurbloempje' zag. In mijn onuitstaanbare edelmoedigheid dacht ik: ik moet haar toch nog even ten dans vragen. Ik stapte resoluut naar haar toe en nodigde haar uit. Nooit zal ik haar antwoord vergeten, zelfs niet als ik vrij ongehavend een zeer gezegende leeftijd zou bereiken: 'Ik wil alleen gevraagd worden als het echt uit het hart komt, niet uit medelijden.'

Een klap in mijn gezicht zoals ik er nog nooit een had gehad (en wellicht ook nooit meer zal krijgen).

Natuurlijk had ze gelijk.

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be