Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 19/08/2015 Paul Dessein Foto

De digitale wereld of de elektronische wereld of erger nog: de e-world komt tot mij. Ook al wens ik dat helemaal niet, ontsnappen aan dat moderne wereldomvattende monster doe ik niet. Die wereld komt tot mij in ogenschijnlijk eenvoudige gedaantes als bijvoorbeeld automaten. Je moet geld laten verdwijnen in een gleuf, soms meer geld dan het gevraagde en je moet dan maar hopen dat het ding rechtvaardig zal zijn. Soms doet de automaat raar: hij weigert dienst. Staat die automaat op een eenzame plek, dan ben je de klos: naar wie moet je gaan?

Vandaag ontving ik een bericht van mijn eigen stadsbestuur. Ik kom in verplichte aanmerking voor een vernieuwde elektronische identiteitskaart. Terloops wordt mij gevraagd mij te voorzien van 16 (zestien) euro, alsof dat niets is. Ik heb bovendien de vrij akelige gewoonte nog alles vlug om te rekenen naar die ouwe 'frank' om toch enig idee te hebben over de reële kostprijs. Ik schrik altijd: dat constante omrekenen schaadt mijn gezondheid of kan althans mijn gezondheid ernstig schaden: een soort geniepige tabak is die domme gewoonte. Maar goed, ik heb die nu eenmaal. Uiteraard word ik ook gevraagd een recente foto mee te brengen.

Maar nu komt de kat op het koord: in dit ingrijpende elektronische tijdsgewrocht mag ik niet meer lachen. Op mijn brief staat uitdrukkelijk dat 'ze' (wie?) op de gevraagde foto mijn tanden niet mogen zien: ook niet een heel klein beetje, een streepje tand, nee, dat mag allemaal niet volgens de jongste elektronische inzichten. Mijn nieuwe identiteitskaart moet vele functies hebben, ze wordt, met een van die monsterwoorden, multifunctioneel zo niet polyvalent! Zou je niet ter plekke doodvallen als je nog moet leren leven met al die moderne aartslelijke en aartsverfoeilijke woorden. Maar doodvallen doe je zomaar niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en ook praktische bezwaren.

Ik vind het bijna een persoonlijk drama dat de leidinggevende instanties zich gaan bemoeien met mijn manier van 'fotolachen'. Fotolachen, op het meest officiële document dat ik bij me heb, mag echt niet meer. Tot nu toe had ik mij een leven lang eigenlijk geoefend in het prettige lachen op een foto. Ik had daar, al zeg ik het zelf, een zekere vaardigheid in verworven. Op den duur begon ik zelf bijna te geloven dat ik in wezen fotogeniek was. Die illusie is mij nu pijnlijk ontnomen. Het mag niet meer! Alle moeite is vergeefs geweest. Want een glimlach zonder een glimp van je tanden te laten zien, is geen gemakkelijke taak. Het vergt jaren oefening en dat heb ik er niet meer voor over: stel dat ik nu begin te oefenen, de kans bestaat dat ik pas over tien jaar weer aan de beurt ben voor een ingrijpende paspoortfoto. Maar tegen dan? Mijn vader had daar een volkse spreuk voor: wiens hoofd doet er dan pijn?

De volle lach met goed zichtbare tanden, dat was mijn trots. Dat heeft de nodige oefening gevraagd, maar ik was behoorlijk trots op het resultaat. Ook heb ik daartoe mijn tanden altijd goed verzorgd: voldoende gepoetst en voldoende lang, allemaal volgens tandartsenvoorschrift. Zeer op tijd gestopt met roken ook, zodat de tand des tijds mijn tanden heeft gespaard (haha!).

We moeten nog even dieper op de zaak ingaan. Volgens een van de beroemdste Spaanse toneelschrijvers is de glimlach (met of zonder streepje tand) de mooiste uitvinding van de mensheid (of het mooiste geschenk van God, zoals je het maar wil zien). De lach wordt trouwens door veel wetenschappers beschouwd als het meest eigene van de mens. Plechtig: van alle levende wezens is de mens het enige zoogdier dat iets als een lacht heeft ontwikkeld. Dat niet-zoogdieren niet lachen lijkt ons vanzelfsprekend: stel je even een lachende worm voor! Dat zou toch voldoende zijn om zelf nooit meer te lachen: en dat, dat willen we niet.

Met die tandeloze elektronische foto worden wij als het ware teruggeslingerd in het prille begin van het leven op aarde, toen nog geen lach kon. Een ijzingwekkende wereld, dat was het toen. Daar gaan we nu weer naartoe en bovendien nog tegen betaling van niet minder dan 16 (zestien) euro. Het is om het te besterven.

Ik herinner me nog dat ik als groter wordende snotaap naar een film mocht met mijn grote broer. In die tijd begon de filmvoorstelling met 'Belgavox' en daarna volgde nog enige reclame. Een van die reclames herinner ik mij nog, een reclame voor zeep: 'Als een vrouw zo naar je kijkt, dan is dat Camay!' In mijn herinnering is die vrouw van de Camayzeep indrukwekkend indrukwekkend. En wat ik ook nog meen te weten is, dat ze betoverend lachte of glimlachte: was het een Pepsodent- of een Colgateglimlach?

Daarom denk ik moeten we massaal protesteren tegen dat elektronisch lachverbod op onze zestieneuro-identiteitskaart! Onze slogan? Zonder een tandgave lach niet één euro.

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be