Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 02/09/2015 Paul Dessein Landelijk

Vandaag – zaterdag voor het bloemencorso – is een heerlijke zomerdag die zelfs al wat belooft voor morgen. Wij, mijn vrouw en ik, zijn aan het 'fietswandelen' doorheen onze Uitkerkse polders en genieten met volle teugen van het landschap, van de zon en van de vele landelijke geuren waarbij een vleugje uitgevoerde mest in de lucht is blijven hangen en weer zijn we het eens dat verdunde mestlucht de polderlucht prettig anaal kleurt.

Daar zien we plots een stilstaande auto naast de weg. Zo een van die wagens die geschikt zijn om een groot dier te transporteren: een soort beestenwagen. Dat was wat ik vermoedde en dat vermoeden werd bevestigd: vier jonge mensen begaven zich naar een weide vol prachtige koeienexemplaren, van het soort dat vroeger 'dikbil buiten markt' werd genoemd.

De vier jonge mensen waren eerlijk en correct verdeeld: twee jonge krachtige mannen en twee gezonde meiden. Een van jongens had een stok bij zich en de andere een dik touw. Ook een van de twee meiden sleurde een stok mee. Zij was gehuld in naar mijn smaak lichte kledij (voor het boerenbedrijf althans, zoals ik dat zie vanuit mijn herinnering), maar had dan toch authentieke rubberlaarzen aangetrokken voor het geval, je weet maar nooit.

Zij was bloedstollend mooi. Ik weet nu wel niet of 'bloedstollend' het juiste woord is. Stolt je bloed als je zo'n mooie jonge boerenmeid ziet? Ik weet dat nog zo zeker niet. Maar als je schrijft 'adembenemend' mooi, dan weet ik ook niet of je adem werkelijk een tijdlang onbestaande is. Wat ik wil zeggen is dat ze werkelijk heel mooi was, van een indrukwekkende schoonheid en dat op zo'n doodgewone zaterdag. Hoewel, het was prachtig weer. 'Adembenemend' prachtig?

Het lieve meisje was goed geproportioneerd zoals dat nu heet. Maar ze had bovenal een mooie, volle blonde paardenstaart die niet naliet dartel op en neer te wippen terwijl zij, ook zij, de weide in stapte. Die opwippende speelse staart verleende haar een soort dartelheid die naar onschuld neigde, de fundamentele onschuld van de vrouwelijke speelsheid in het zonovergoten polderlandschap. Het doet een mens dromen van helaas onbestaande idylles. Ik vermoed zelfs dat ze blauwe ogen had. Nu weet ik wel dat blond en blauw de indruk wekken dat het om een niet-bestaand plaatje gaat, en toch...

Terwijl wij stonden te kijken kwam een wel zeer steeds stel aangereden. Hij had een bijzonder speciale fiets, zo van die rare moderne baksels die nog net als fiets kunnen worden herkend. Zij had een bril op, een zonnebril, die haar een bijzondere 'look' (let op de uitspraak: 'oe') aanmat. Omdat wij stonden te kijken, vonden zij, stedelingen, hun grote landelijke moment gekomen. Rap van de fiets af, de twee rijwielen ordentelijk opzij gelegd, dat wel, en daar keken ze gespannen mee.

De vier schreden behoedzaam voort op weg naar de prachtrunderen. Die beesten zijn mensen gewend en gingen slechts schoorvoetend opzij. Een enkel dier werd lichtjes afgezonderd volgens een heel verstandige en uitgekiende tactiek: de andere koeien werden zonder veel omhaal lichtjes weggejaagd. Dan kwam de jongen met het touw en voor de koe doorhad wat er te gebeuren stond had zij het dikke touw om de hoornen en was zij vanaf dat moment de gevangene en besefte ergens in het diepe diep van haar beperkte runderbrein dat zij eigenlijk niet meer behoorde tot de haar vertrouwde weidegroep. Ze voelde in zich een eindeloos droef gevoel van vereenzaming opkomen en trok geweldig tegen.

De andere koeien die beseften dat zij een lid van de kudde zouden verliezen, twijfelden tussen pure solidariteit – de kidnappers frontaal aanvallen – en moedeloze gelatenheid die zich zou uiten in een kortstondige doelloosheid waarna ze zich opnieuw aan hun geliefkoosde bezigheid over zouden kunnen geven: grazen en half slapend herkauwen. Dat laatste dus: de zoogdieren verschillen niet zoveel van het ultieme zoogdier, dat wij zijn.

Hoe verder het geroofde slachtoffer zich van de kudde verwijderde, zich moest verwijderen, hoe heftiger haar weerstand werd. Dan moest zij een beetje worden geholpen met een stokslag – heel beschaafd uitgevoerd door het paardenstaartmeisje. Waarom mijn blonde meid? Waarom? Zou het kunnen dat enige zachte dwang het beste wordt uitgeoefend door een lief schepsel dat bovendien, zoals reeds beschreven, onschuld ademde. Wellicht. Ik weet het niet. Maar het staat vast dat het rund dat op dat ogenblik onnoemlijk onder verlatingsangst leed, kalmeerde en met bijna gedweeë blijdschap het rechte pad volgde dat naar de auto leidde en vervolgens naar het slachthuis.

Soms wou zij nog wel eens zijdelings afdwalen op zoek naar haar soortgenoten, maar dan werd zij, weer met lieve dwang, aan de staart getrokken door, nu wel, afwisselend de andere meid en de andere jongen. Ons steedse stel stond klaar, nu het dier weldra de weide zou verlaten, om een laatste foto te nemen met de 'smarte' telefoon. Het is toch bijna niet te geloven dat een telefoontoestel nu ook al dient om een landelijk tafereel voor eeuwig vast te leggen. Bijna vond ik het spijtig dat ik niet beschik over zo'n 'smarttuig': dat blonde meisje met rubberlaarzen en koestok zal voor mij voor eeuwig verloren zijn.

Als ik straks een stukje rundervlees eet, ik ben geen vegetariër, dan zal ik aan de Uitkerkse polder denken!

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be