Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 09/09/2015 Paul Dessein Het groene Spanje

Ik wandel zeer graag. Daartoe ga ik heel vaak niet ver, sterker nog: ik blijf het liefst in onze eigen polders. Ik houd bijvoorbeeld enorm veel van grazende koeien in de schemering van een zomeravond. Je ziet de majestueuze beesten amper, maar je hoort hun trekkende geluid: ze plukken het gras. Daar gaat een soort poëzie vanuit die ik voor geen geld ter wereld wil missen. Deze halfverborgen maar zeer hoorbare bezigheid schenkt mij een rust die ik ten zeerste waardeer: de monotone herhaling van een collectief geluid. Uniek.

Meestal vertrek ik via de Zeebruggelaan, een eerbare maar alles behalve spectaculaire weg. Dan wandel ik op de linkerkant van het fietspad: er komen geen fietsers uit de tegenovergesteld richting en in mijn wandelrichting rijden zij rechts: veiliger kan niet. Je kunt meteen je gedachten naar alle kanten uit laten waaien. Wat kan ontspanning toch eenvoudig zijn.

Maar opeens wordt mijn aandacht getrokken door paardenfecaliën. We zouden ook paardenuitwerpselen kunnen schrijven, of nog eenvoudiger: paardenstront. Je leest maar wat je het liefste leest en dat kan zeer goed van je gemoedstoestand afhankelijk zijn.

Het geheel bestond uit vrij keurig op elkaar gestapelde bollen die een zekere stevigheid uitstraalden en mooi bruin van kleur waren. Wat dat betreft de productie van een gezond paard, althans volgens het motto: beschrijf me je stoelgang en ik zal zeggen hoe gezond je bent. De ophoping had bovendien iets artistieks. De bollen vormden een heel mooie en regelmatige opeenhoping waar, op zijn manier, ook weer een bevredigende rust van uitging.

Natuurlijk een paard weet niet dat het met zijn vaste afscheiding kunst teweeg kan brengen in tegenstelling tot kunstenaars, mensen dan, die met een kakmachine wereldroem hebben geoogst. In dit geval: bewuste strontkunst. Misschien kunnen we de kunst, de ongewilde en niet bewuste kunst van het paard als instinctieve kunst betitelen, een kunst die, met permissie gezegd, als het ware spontaan opborrelt uit de anus van de viervoeter.

Meteen was ik in gedachten in Noord-Spanje, het zogenaamde groene Spanje. Groen, in tegenstelling tot de rest van Spanje: het dorre Spanje, omdat het in het noorden van Spanje vaak, ja monsterlijk vaak regent, maar precies daardoor is die streek zo mooi, zo groen en lieflijk waarvan de zachtheid alleen door het harde en bijwijlen ruwe landschap wordt getemperd: kortom, jeugdige kracht, dat straalt dat landschap uit.

Mijn vrouw en ik waren daarnaartoe getrokken toen onze kinderen het nest hadden verlaten zoals wij mensen dat zo graag in dierentermen verwoorden. En plots werd ik bevangen door het heftige verlangen eindelijk eens op een paard door deze streek te rijden. Een mens kan dat meemaken, dat een oeroud verlangen zich geheel onverwacht manifesteert: herinneringen ook aan een tijd waarin cowboys een grote rol speelden. Geef mij maar een lasso, dacht ik.

Een foldertje vertelde ons dat het op een afgelegen boerderij – een ranch! – mogelijk was, tegen een redelijke betaling, een uurtje paard te rijden. Mijn vrouw was onmiddellijk voor het plan gewonnen; we waren alletwee nog vrij jong en soepel: de gewrichten kraakten nog niet in één voeg. We werden verwelkomd door een jonge vrouw met een fijn snoetje, maar met lendenen die bijna schoften leken. Zoals sommige baasjes naar hun hondje toegroeien, zo had ik de indruk dat onze jeugdige begeleidster naar haar paarden begon te aarden. Het was bovendien een vrolijke kwetterkous! Volgens de veralgemeningen die in de toeristische boekjes opgeld maken en soms ook elders zijn de mensen uit Noord-Spanje stug en gesloten: een beetje zoals de West-Vlamingen.

In een mum van tijd wist ik dat haar paarden haar leven waren en dat ze, hoewel ze zeer hard moest werken om te overleven, haar beroep in lengte van dagen zou blijven uitoefenen: elders zou ze ongelukkig zijn. Meteen mochten wij ons klaar maken om op ons paard te klimmen. Onze paarden waren indrukwekkende dieren: dit om maar te zeggen dat daar bovenop raken geen vanzelfsprekende zaak was. Goed, we raakten er uiteindelijk met een beetje hulp wel op. Zo'n paard is echt een deinende bedoening: het schip van het landelijke noorden, dacht ik.

Zij, onze landelijke op haar streek verliefde jonge vrouw, reed voorop. Ze had mij gevraagd haar te volgen omdat ik Spaans sprak en dan volgde mijn vrouw. Maar dat Spaans spreken viel niet zo goed mee. Daar in die wondermooie natuur had ik al mijn aandacht nodig om mijn paard te 'leiden' en onze begeleidster zweeg maar niet tussen haar instructies door. Zelfs mijn paard werd op een ogenblik moe van haar ogenschijnlijk eindeloze woordensliert.

We kwamen aan een weggetje waar zij, onze begeleidster, een klein ommetje nam. Een ommetje dat mijn paard waarschijnlijk al duizenden keren genomen had, maar een kortere weg kende. Moegelopen nam het paard, 'mijn' paard die korte weg. Hoe begrijp ik hem! Maar ik zag het slechts op het laatste moment: een laaghangende tak dreigde mij mijn hoofd af te snijden. Ik kon me net op tijd bukken, de tak schamperde mijn hoofd: alleen een klein beetje bloed herinnerde mij eraan dat ik ternauwernood aan een bloedige onthoofding was ontsnapt. Meteen was ik weer in de cowboysfeer. Ik liet mij de uitgebreide excuses van onze begeleidster wel gevallen . Heel even was ik dan toch nog een held!

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be