Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 20/01/2016 Paul Dessein Keulen

Het heeft gedonderd in Köln. En hoe! Het spreekt vanzelf dat ik het oudejaarsnachtgebeuren heftig veroordeel. Maar ik wil daar niet meer over kwijt: veel vooraanstaanden onder wie heel wat politica's en politici hebben hun inzichten daaromtrent met luider stemme laten weergalmen. Een van die velen was Gwendolyne R., politica-voorzitster. Zij veroordeelde zelfs dubbel: vanuit haar positie als partijvoorzitster en ook omdat zij vrouw is. Omdat zij vrouw is, denkt zij, in haar vrouwelijke onschuld, dat ze meer recht heeft om te veroordelen dan ik, bijvoorbeeld, simpele en gewone man. Ik vind dat charmerend van haar. Zo charmerend dat ik haar meteen opneem in de kring van mensen die ik goed ken. Ik wil haar voortaan 'Gwendy' noemen. Maar ik vind dat niet zo mooi klinken, vandaar: 'Gwenny (of Gwennie?)'.

Er was een tijd, dat is al een tijdje achter de rug, dat m'n (!) Gwennie zich geroepen voelde om het pas gekozen Vlaamse woord van het jaar te pas en te onpas te promoten: Gwennie had 'goesting'. Niettegenstaande deze promotiecampagne is en blijft 'goesting' een woord dat niet tot het Standaardnederlands behoort. Maar Gwendolyne voegde aan haar veroordeling iets merkwaardigs toe. 'Zelfs', zei ze, heel voorzichtig, 'als onze meisjes of vrouwen in bikini op straat lopen, dan nog moeten ze (de of die mannen?) met hun handen van ons lijf blijven'. Gelukkig gebruikte ze daar het modewoord 'fikken' niet bij: met je fikken van mijn lijf!

Zou Gwendy er stil bij hebben gestaan dat het visioen van haar straat ineens vrij dicht bij het moslimhiernamaalsvisioen komt: een paradijs vol (jonge) maagden! Natuurlijk is dat beeld ook bedreigend: hoeveel mensen – vrouwen en mannen – kunnen de toets van de naaktheid of de bijna-naaktheid met, laten we de lat niet te hoog leggen, onderscheiding doorstaan? Zelf heb ik in elk geval geen enkele adonisambitie meer. Heb ik die ooit gehad? Ik denk het in alle bescheidenheid niet. Maar hoe trouweloos kan de herinnering zijn! Dus: wie weet?

Mode is echter een raar verschijnsel. In het bijzonder de vrouwenmode. Er zit daar een ingebakken dubbelzinnigheid in: de vrouwenmode is erop gebrand te laten zien door te verhullen. Iedere vrouw die zich licht kleedt wil dat iemand het opmerkt, dat iemand haar ziet. Die iemand is natuurlijk niet haar man (of tegenwoordig: vriend), want die heeft al alles gezien en meegemaakt. Dus iemand anders, iemand uit het ruime publiek, ergens een manspersoon (en toegegeven, een dergelijke manspersoon voelt zich rap aangesproken en denkt meteen dat hij medeverantwoordelijk is voor de voortzetting van het menselijke ras).

In de moderne tijden hebben ze ons mannen geleerd daar heel voorzichtig mee om te springen. Zien wij, mannen, die lichte kledij? Natuurlijk zien we die: het is overigens de bedoeling dat we die zien. Maar nu wordt van ons gevraagd dat we doen alsof we dat niet zien. We vangen een glimp op, we weten genoeg, en daar volgt onze reflex (we zijn 'geconditioneerd' zoals dat nu heet): we wenden de blik af. Desnoods nog een paar vluchtige blikken (een mens wil per slot van rekening zekerheid over zijn zintuiglijke prestaties) en daarmee is de kous af.

Wat we vooral niet mogen doen ('dat kun je toch niet maken'), is kijken. Dat is uit den boze: onbehaaglijk voor de kijker die een soort 'gluurder' wordt en al even onbehaaglijk voor de aangestaarde, die zich een soort opgejaagd wild voelt. In onze tijden hebben wij, mannen, een enorme weg afgelegd: net als gedresseerde hondjes hebben wij onze puur instinctieve reacties opzij leren schuiven. We hebben daar wel een paar generaties over gedaan. Die lichtzinnige kledij die we wel mogen zien maar niet bekijken is overwegend een stedelijk verschijnsel. Van de stad wordt beweerd dat hij tot verderf leidt. (Dat was al altijd zo: Sodom en Gomorra zijn nooit veraf.) Maar dat is nu dus minder het geval dan we algemeen denken: de mannen zijn nog nooit zo kuis geweest.

Het vervelende van die situatie is dat je als man zelfs nog moeilijk complimentjes kunt geven aan onze lichtgeklede vrouwen. Stel een strand, stel het strand van bij ons, stel je raakt in gesprek met de uiterste grens van de bikini, je raakt dus in gesprek met een string. Je kunt toch onmogelijk, bijvoorbeeld, zeggen: die string zit je als gegoten. De gedachte alleen al is om het te besterven. En sterven in de nabijheid van zo veel schoonheid willen we al helemaal niet. Ik zal me troosten met de gedachte dat het ergens, aldus een goeie vriend van mij, deugd doet.
Ergens?
Ja, ergens!

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be