Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 27/01/2016 Paul Dessein Strijd

Vanuit mijn ochtendraam – dat is het raam van de keuken waar ik gewoonlijk, 's ochtends dan toch, zit te lezen en dat mij voorlopig nog een bijna-eindeloos uitzicht 'gunt' op onze bloedeigen polders – zag ik vier, precies vier, welgevormde ganzen in 'mijn' luchtruim verschijnen. Ik ben altijd blij als ik die ambassadeurs van Svalbart (Spitsbergen) kan bewonderen. Het is bijna niet te geloven dat die kloeke vliegers – de beste vliegers van het hele 'vogelendom' – ons een groet brengen uit streken die zo veraf zijn: het Hoge Noorden, dat op zijn beurt zwelgt in de romantiek van eeuwige sneeuwvelden, mistige dagen, ijsberen, het poollicht en geheimvolle legendes en verhalen. Het zal wel waar zijn wat de schrijver ooit schreef: de schepselen van de luchten weten meer van het leven af dan wij.

Mijn vier vrienden vlogen netjes op een rij met als koploper een felle mannetjesgans – vermoed ik – in de volle kracht van zijn twee middelbare jaren. De andere drie volgden dapper de nog dapperder koploper: het waren net vier ontsnapte renners die onder impuls van de durver (durfster) het hazenpad(?) hadden gekozen. Ze begonnen rondjes te malen, een teken dat ze een stukje malsgroene weide zochten om even neer te strijken en een beetje te gaan eten: die monumentale vliegers overwinteren hier op gras. Ze vonden wat ze zochten, of beter: ze vonden wat ze wisten wat er is aan groen in onze contreien: ik vermoed dat zij in hun beperkte hersenen een landschappelijk overzicht bewaren dat te vergelijken valt met 'Googles Map'.

De vier streken neer. Kort daarop raakte de lucht vervuld van een heerlijk oorverdovend gegak van hele vluchten vriesganzen, horden indringers bijna, ware het niet dat ik dat overdonderende gegak zo graag hoor: een soort ritmisch zeer gecontroleerde beat. En dat alles in perfecte formatie: de zo mooie ‘V’ die doet denken aan het peloton wielrenners in de voorjaarsklassiekers: gejaagd door weer en wind, of aan de Polderbutters van de lokale wielerclub die met vereende mankracht, daarbij lichtjes gesteund door een of andere vrouwelijke heldin die de overwegend mannelijke A-butters durft te trotseren, ons poldergebied, op hun manier, in bezit nemen. De grote meute volgt de voortrekkers: nu ze gezien hebben dat enkele soortgenoten op aarde zijn nedergedaald op een strook wintertarwe die de voortrekkers met groenende weidegronden hebben verward, willen ze nu allemaal solidair zijn en ook vertoeven op die oase van overvloed. Dat ze daarbij geen oog hebben voor enkele fladderende als afschrikking bedoelde wimpels doet mijn oude opstandige hart meer dan deugd!

De landing van zo'n ontzagwekkende verzameling ganzen loopt niet van een leien dakje. Ze beginnen met grote concentrische cirkels te vliegen over het gebied dat ze willen inpalmen, daarbij moeten ze geleidelijk zakken, net als een vliegtuig dat de landing inzet. Onze ganzen gaan ook wat trager vliegen, ze minderen geleidelijk aan vaart, houden dan even de vleugels, mooi uitgestrekt, stil waardoor ze zeer geleidelijk én zeer siervol dalen. Die eerste manoeuvres zijn echter óf onjuist berekend – weinig waarschijnlijk: die vogels zijn intelligenter dan wij die ze nabootsen – óf onvolmaakt uitgevoerd waardoor ze weer even een beetje moeten stijgen, vaart maken en een rondje malen, waarna de landingsceremonie opnieuw kan worden ingezet: meestal met succes maar toch gebeurt het dat het tweede gedeelte van het peloton nog een correctierondje uit moet voeren om in het beloofde land van gras en gras te kunnen landen.

Intussen melden zich bijna constant nieuwe groepen in mooie V-formatie. De pasgelanden zijn hoogsttevreden en zingen hun vreugde uit in hun ritmische gegak. Ik ben blij dat vlak achter ons huis deze intelligente krachtpatsers uit het Noorden zich verlustigen in hun tuin van overvloed: ik ben de Heer dankbaar dat ik dat nog mee kan maken zo dicht bij mijn, bij onze woning.

Er ontstaat in de kolonie een weldoende kalmte: ze eten wat en enkele wachters, de kop trots in de hoogte, houden de wacht.

Daar verschijnt ineens, bijna uit het niets opdoemend, een driftig manspersoon. Waarschijnlijk de eigenaar, of minstens de bezaaier van het lapje grond. Hij vreest voor zijn oogst. Hij kan weinig anders dan wat armzwaaiwerk verrichten om onze door mij zeer gewenste maar door hem zeer ongenode gasten bang te maken en weg te jagen. Het lukt hem, helaas.

Ik begrijp mijn medemens maar mijn hart bloedt: het vriesganzenspektakel is mij al te zeer dierbaar.

Vriesganzen verruimen, op hun heel eigen wijze, mijn levensgevoel.

(PS: Woensdag 20 januari: mijn vrienden zijn terug!)

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be