Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 01/02/2016 Vogels Paul Dessein

Een stukje van onze tuin is afgebakend met enkele aalbessenstruiken. Binnen dat omheinde gebiedje dat wij, in ogenblikken van zinsverbijsterende trots, 'onze boomgaard' noemen, omdat er één (1) boompje staat. Een sierappelboom. Ik wil natuurlijk geen woord kwaad spreken over ons sierappelboompje. Het groeit en bloeit en doet zijn best. Vooral dat bloeien! In het vrij vroege voorjaar verandert zijn kale kruin – het boompje is ook al van jaren, hoewel dat er eigenlijk niet toe doe – in een prachtige, natuurlijke ruiker. Een pure lust voor het schouwende oog. Die pracht, zoals bijna elke échte pracht, duurt niet lang, tenzij je aftakelende mensen die lief voor elkaar blijven als het voorbeeld van heerlijkheid en pracht ziet. Alles kan, zoals de modeslogan zegt.

Als gevolg van die bloei én van de wind én vooral van naarstige bijtjes ontstaan weldra kleine, onooglijke, groene bolletjes die na verloop van behoorlijk lange tijd heel mooi rood aanlopen. Dat is het tweede moment van heerlijk genieten. Het oog krijgt nauwelijks genoeg van de schoonheid die de onmiddellijke natuur biedt. Bovendien breng ik heel even in herinnering dat je met het sierappelsap heerlijke jam kunt maken, vooral in combinatie met braambessen (wild geplukt in de natuur). Gebruik je 'Marmello', dan kan de vreugde van de huis-en-tuinsmaak niet op. Je krijgt er een heerlijk gezond zelfgevoel bij.

Ben ik dan een ervaringsdeskundige? Nee! Maar ik heb ogen en gezien dat het effect op het zelfbeeld aanzienlijk is. Wij laten bij onze pluk nogal veel appeltjes hangen, zodat ze hun roeping trouw kunnen blijven: de hele wereld, onze hele kleine eigen wereld, sieren. Pronkappeltjes zijn heel bescheiden, zoeken geen persoonlijke eer, ze versieren louter voor ons. Dat duurt een hele herfst.

En dan is het plots winter en valt de kou in. Nu word ik blij te moede. Niet dat ik van kou en kilte houd. Integendeel. En met de jaren wordt mijn 'integendeel' feller en feller. Maar ik houd van die onaangename vriestemperatuur omdat ik weet dat iets anders volgt. Mijn appeltjes, mijn geliefkoosde sierappeltjes verliezen hun opvallende rode kleur, ze raken langzaamaan vervroren, hun jonge glans vergaat, hun velletje verrimpelt: het worden, kortom, zoetjesaan uitgeleefde besjes met nog her en der een blozende herinnering aan hun sierappeljeugd. Zacht zijn ze nu ook, zo heerlijk zacht. En ik wacht nog maar eens op iets anders.

Uit ervaring weet ik dat bevroren sierappeltjes een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen op bepaalde vogels. Enkele vereenzaamde merels vormen de voorhoede. Indrukwekkende houtduiven zorgen voor de nodige afwisseling. Zij profiteren heel vaak van het klungelige werk van de merels die zoveel appeltjes laten vallen. De zware houtduiven zijn er als de kippen bij om het begonnen werk af te maken. Als het lang genoeg koud blijft weet ik dat het serieuze werk zal gaan beginnen. Ik weet heel zeker dat weldra een zwerm lijsterachtigen zullen arriveren om onze sierappelboom zo goed als kaal te plunderen.

En ... een kleine week geleden zag ik de eersten, de verkenners, zij die ervoor zorgen dat er wat te eten valt in deze barre tijden. Een dag later zat de kruin vol met die vogels. Het zijn vrolijke en opgewekte lieden. Ze strijken met een behoorlijke groep neer en beginnen onderling te keuvelen, te kouten en te zwatelen. Er zijn op dat ogenblik nog oneindig meer sierappeltjes dan vogels. Ze hebben dus alle tijd om heel rustig en vreedzaam hun op appeltjes verlekkerde maag te vullen. Maar nee. Ze gunnen elkaar de wondere lekkernij niet. Ze jagen mekaar weg, ze jagen mekaar op, tot uitputting volgt en dan gaan sommige rusten op de takken van een vruchteloze buurboom. Maar – ik zei het al: het zijn vrolijke jongens en meiden – van hun gevecht gaat een speelsheid uit die ontroerend is. Alsof ze in volle strijd om het dagelijkse kostje dat ze in vrij grote groepen samen opzoeken, de nodige tijd vinden om er een boeiend en opwindend oorlogsspelletje van te maken. Ze 'gamen' erop los. Alleen als een prachtige, veelkleurige fazant opduikt die ook wel eens wil proeven, nemen ze even collectief rust en verhuizen naar de nabije hazelaar.

Weldra zullen ze vertrekken, althans het merendeel, mij in droefenis achterlatend om zoveel schoonheid die ons ter plekke is gegeven. Zij vertrekken naar vrij verre streken, naar het Hoge Noorden om te zorgen dat over een of twee jaar – afhankelijk van het weer – de kramsvogels weer bij ons komen. Kramsvogels, zo heten ze: een heerlijk ouwerwetse naam.

Ik heb ze gadegeslagen vanop een stoel voor het raam. Rustgevend. Zo rustgevend dat ik toch even in slaap moet zijn gesukkeld want ik had gezien dat een van die kramsvogels een dikke pier uit de grond trok, wat met dat heftige vriesweer niet kon.

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be