Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 03/05/2017 Lastig Paul Dessein

Ik kan er niet aan ontsnappen. Ik word oud. Ik bedoel: ik ben al oud. Ook mijn vrouw ontsnapt daar niet aan. Ook zij wordt oud. Als ik door dat soort overwegingen word overvallen, dan zoek ik hoopgevende troost bij een liedje van wijlen Bobbejaan S. die het zo eerlijk en heerlijk over 'We worden samen oud' had. Smartlappen hebben soms de meest verrassende en verstrekkende gevolgen.

Ik moet nog iets bekennen: ik ben danig lui om mijn, ons huis te verlaten. Ik ondervind altijd een kleine innerlijke hinder als ik mij op weg wil begeven. Dat maakt deel uit van mijn zielen-DNA. Ik heb er dan ook geen enkele verdienste aan, dat mijn vrienden beweren dat ik toch zo'n huiselijk man ben. We moeten eerlijk blijven: graag thuis blijven is bijlange niet hetzelfde als huiselijk zijn. Ik ken onvoorstelbare knorpotten van mannen die altijd maar thuis blijven en de pannen van het dak zeuren. Hun vrouwen verlangen heel vaak maar één ding: kon hij toch even weggaan, verdwijnen, opgaan in desnoods heftig werk voor het goeie doel, zodat ik dan toch heel even... Maar als die vrouw het dan toch maar waagt en suggereert om even ergens naartoe te gaan, dan zegt die 'knorpotterige' man dat hij meegaat: zou je niet doodvallen! Maar doodvallen deed ze niet, want tussen droom en daad...

Ik ben afgeweken, ik had net mijn luiheid beschreven. Maar het gebeurt dat een groep mensen ons meevraagt: wij hebben een zeer beperkt netwerkje, waarmee wij echter wel volkomen gelukkig zijn. En het was zover: enkele vrienden vroegen ons mee naar Oostende. Omdat je in Oostende bijna nooit je auto kwijtraakt en ik bovendien Oostende verkeersmatig helemaal niet ken en ik dus behoorlijk bang ben met mijn auto, was ik blij dat onze vrienden ons voorstelden met de tram te gaan. De tram nemen is voor mij opnieuw boeiend geworden, net als in mijn lang vervlogen 'jongelingenjaren'.

We spraken dus af aan het station van bij ons in Blankenberge. Natuurlijk had ik geen enkele vorm van kaart bij me en dus waren wij aangewezen op een automatische kaartleverancier. Hoe heet zo’n ding? Dat alleen al, dat ik die vraag moet stellen, laat aanvoelen hoe wereldvreemd ik geworden ben. Goed, we waren gelukkig ruim op tijd, zodat we de nodige rustige tijdsruimte hadden om ons twee reiskaartjes (vervoersbewijs!) aan te schaffen. Het begon met de lectuur van de instructies: zelfs dat prille begin van elke geautomatiseerde handeling is al heel moeilijk. Je verstaat amper wat ze willen zeggen: ik ben wel gewend turfachtige romans te lezen, maar de eenvoudige lectuur van technische aanwijzingen gaat mijn petje te boven (ook al had ik geen pet op, hahaha!). Bovendien was niemand van onze oudere vrienden ook maar enigszins in staat om van enigerlei nut te zijn in deze troosteloos benarde toestand. Het was koud en ik kon met moeite de neiging tot heftig zweten (transpireren is wel beschaafder, maar ik houd in dit geval meer van het directe woord: zweten!) onderdrukken. Het uiterlijke teken bij mij dat de stoppen behoorlijk onder druk staan.

Op dat eigenste ogenblik was de redding nabij. Een jonge vrouw (moeder van een natuurlijk schattig meisje) zag onze nood en in haar moederlijke gulheid kwam ze dichterbij. Heel bescheiden – ze wilde niet bruuskeren – vroeg ze: 'Kan ik jullie helpen?' Ik haastte mij om te antwoorden dat dat zeker kon, dat haar hulp zelfs zeer wenselijk was. Mijn haast, dat weet ik bijna heel zeker, had ook te maken met haar heel trefzekere vormgeving. Wat kun je meer wensen: advies krijgen van een zeer lief schepsel Gods in vrouwelijke vermomming. Ze sprak bovendien een hemeltergend mooi Nederlands met een licht 'Hollands' accent. Daar knap ik ook van op: perfect Nederlands met een eigenlijk alles bij elkaar Zuid-Nederlandse tongval. Bij zoveel genade werd ik bijna sentimenteel: ook weer een van die bekoringen... En net zoals bepaalde computermethodes, op een bijna-kinderlijke manier, met een stap-voor-stapaanpak uitpakken zo ging ook onze Vlaams-Hollandse blond-mooie zuster in nood te werk.

Alles is dus goed gekomen. Hoe diep gelukkig voel ik me dan: ik heb bijna de behoefte om iedereen te kussen (wat ik achterwege heb gelaten). De rest van het verhaal is oerklassiek. Als oudere mensen samen komen ontstaat al vlug de neiging het over kleinkinderen en de ouders ervan te hebben. Met allerlei anekdotes die voor de betrokken oma's uiteraard zeer belangrijk zijn. Nu is er toch een verhaaltje dat mij bij zal blijven. Op een gegeven moment vraagt een juf aan een peuter hoe oud haar oma is, waarop het pukkie antwoordt: 'Zó oud dat ze bijna-dood is'. De lach die daarop ontstaat is buitengewoon bevrijdend: alleen jonge mensen kunnen lachen met en over de dood. Wij, al vrij oud, hebben dat helaas verleerd.

Leve de pukkieverhalen!

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be