Krant van Blankenberge | Cursiefje
Blankenberge: 05/07/2017 Blauw Paul Dessein

Er wordt wel eens beweerd: 'Brugge is altijd schone'. Daar twijfel ik niet aan. Maar als Brugge altijd mooi is, dan verdienen onze polders absoluut dezelfde beoordeling: de polders, onze polders zijn altijd mooi.

Geregeld rijden mijn vrouw en ik doorheen onze contreien. Natuurlijk, ik weet het wel: ook voor mij zijn onze polders te schoon, te glad, te gelikt. De sloten zijn leeggehaald, elke vorm van groei is er brutaal uit weggerukt. Waar zijn de heerlijke bramen? Gelukkig is er nu een soort bermwet waardoor de randen langs de wegen weer kleurrijk én mooi kunnen zijn. Een bosje wilde bloemen kan zo overweldigend ontroerend zijn. En ja, ook onze polders beginnen te lijden onder eentonigheid zonder, gelukkig maar, te vervallen in Franse toestanden waar oneindig uitgestrekte velden met één soort graangewas zijn begroeid. Maar toch, een zekere eenvormigheid bedreigt ons landschap: de 'eenbaarlijke' vlaktes van Stijn (Streuvels) zijn terug van weggeweest.

Niet alleen eentonigheid doet zijn intrede. Deze meermaals bespoten monotonie heeft de insecten weggejaagd, en de vlinders, en de bijen en als gevolg daarvan zijn de kleine vogels achterwege gebleven: waar zijn 'onze' mezen, waar zijn 'onze' mussen en waar zijn 'onze' zwaluwen en wie hoort en ziet nog 'onze' leeuweriken? De leeuwerik die 'vroege' of 'late' geliefden tot voorzichtigheid maant. Weg zijn ze. We zijn rijk arm geworden.

Gelukkig laten de bermen nog een beetje begroeiing toe. Maar ook die bermen worden op geregelde tijden opgeschoond: de bloemenrijkdom is beperkt. Gelukkig groeit en bloeit daar een vedette: onze klaproos die helaas dank zij een oorlog een van Vlaanderens beroemdste planten is geworden maar gelukkig ook dank zij het beroemde gedicht. Daarom ben ik altijd zo blij dat de klaproos meer dan stand houdt. In mijn streek heette die bloem, die vroeger zoals een God bijna alomtegenwoordig was, 'kankerbloem'. In een nog andere streek droeg ze de heerlijke naam 'slaapbol'. Haar heerlijk rode opmars is waarschijnlijk niet meer te stuiten, te meer omdat het zaad ervan meer dan tien jaar kan wachten op gunstige omstandigheden om een vernieuwde levenspoging op gang te brengen. Wat houden wij van dat felrode in onze polders.

We reden in relatieve stilte verder: je kunt toch ook niet de hele middag kreetjes van bewondering aan elkaar mededelen: op den duur zou het lijken alsof er iets dramatisch broedt. Onderzoek – wat onderzoekt men de dag van vandaag niet? – wijst uit dat naarmate een min of meer geslaagde relatie voortschrijdt, er minder en minder wordt gebabbeld (wat niet hetzelfde is als praten!): wat zou je dan de hele tijd op de fiets zitten kletsen!? Bovendien word je al te vaak door een of ander modern landbouwtuig belaagd dat niet alleen de hele weg inpalmt maar ook al een stuk van de berm: je moet bijna in de sloot vluchten om aan de 'overrijdingsdood' te ontsnappen, waarbij je alleen kunt hopen dat de sloot naast de berm droog staat. Hoewel ook hier weer: nattigheid is broodnodig voor de volle wasdom. Wat kan alles toch ingewikkeld zijn.

Verzeild in deze gedachten reden we langs een werkelijk rustige polderweg toen mijn oog op een stuk minder afgelikt korenveld viel. Ik werd door de grote verscheidenheid van de wilde plantengroei erg aangenaam getroffen. Mijn natuurhart begon opeens feller te slaan. Want... want ik meende mooie blauwe bloemetjes te zien. Eerst vreesde ik dat het blauwe distels waren, of de ook blauwachtige berenklauw. En toen durfde ik het ondenkbare te denken: de blauwe korenbloem die ik al bijna eeuwen niet meer gezien had was hier in dat stukje randwildernis terug. Mijn vreugde kon niet op. Maar die vreugde was nog bedreigd door onzekerheid. En ik wilde zekerheid.

Ik vroeg mijn vrouw te stoppen. Ik stapte meteen af en trotseerde een vrij diepe – gelukkig maar, droge – sloot. Werd geneteld dat het een lieve lust was, had heel even de neiging daarover te kriepen maar vermande mij (ook al omdat ik niet graag de mythe in stand help te houden dat mannen in wezen een verzameling zeurderige flauweriken zijn) en bereikte mijn blauwe doel: de blauwe plantjes bleken waarlijk korenbloemen te zijn. Mijn vrouw kwam mijn vondst bevestigen en daar midden in dat verloren polderlandschap hief ik een blauwe en luide kreet van vreugde aan: eindelijk, eindelijk, het zo geliefde blauwe korenbloemetje was op zijn beurt terug. Ik ben niet beschaamd op te biechten dat ik op dat ogenblik diep gelukkig was! Het wonder bij dat wonder is, dat een mens als ik zelfs met blauw zielsgelukkig kan zijn!

PAUL (dessein)

© www.krantvanblankenberge.be