Krant van Blankenberge | In de Kijker
08/05/2014 - Auteur: Enzo Farina Hotel José een eeuw in het teken van de gastvrijheid Hotel José in de Vissersstraat één van de weinige overgebleven familiehotels in Blankenberge bestaat 100 jaar. Naar aanleiding van dit jubileum hadden we een gesprek met de heer Georges Bouche die meer dan een halve eeuw uitbater is geweest van dit hotel. Enzo Farina in gesprek met George Bouche

Onze verbazing was groot toen wij Hotel José binnenstapten waar we onze afspraak hadden met de heer George Bouche. We kwamen terecht in één van de mooiste art deco-decors. De hotelkamers zijn picobello vernieuwd maar het gelijkvloers met de ontbijtruimte en de gelagzaal zijn nog steeds gegarneerd met authentieke lambrisering van Kunstwerkstede Gebroeders De Coene uit Kortrijk.

We zijn niet alleen onder de indruk van het mooi en bewaard gebleven interieur, al heel vlug merken we dat onze praatgast zeer bijzonder en sympathiek is. George Bouche heeft meer dan een halve eeuw Hotel José uitgebaat, met zo'n horeca-ervaring weet hij als geen ander de mooiste anekdotes te vertellen.

George, want zo mogen we hem noemen, is wellicht één van de laatste levende grote horeca-mensen van zijn generatie. Hij zit boordevol verhalen en we hangen aan zijn lippen alsof hij de mooiste sprookjes vertelt.

Maar af en toe wordt George sentimenteel, voornamelijk als hij het over 'mama' heeft, zijn echtgenote Thérèse Simoen die vorig jaar overleden is. Samen hebben ze Hotel José uitgebouwd tot een prestigieus etablissement waar zelfs invloedrijke mensen incognito op verlof kwamen zoals de Duitse Bondskanselier Konrad Adenauer. Ook de Britse generaal MacKenzie die na de oorlog ereburger werd van onze eigenste stad was vaste gast in het hotel.

"MacKenzie werd na de oorlog regelmatig uitgenodigd door het stadsbestuur van Blankenberge" vertelt George Bouche, "en zoals het hoorde, reserveerde het stadsbestuur één van de mooiste kamers in het duurste hotel voor MacKenzie. Maar de generaal verkoos de gezelligheid en het warme onthaal van de familie Bouche en kwam iedere dag incognito slapen en eten in Hotel José, alhoewel hij formeel in een klasse hotel op de Zeedijk werd verwacht!"

Le Mouton Blanc ...

De geschiedenis van het familiehotel onder de naam 'Hotel José' start in 1914. De familie Simoens was geen familie met een horeca-traditie. Vader Simoens was manden- en biezenvlechter. En zoals het in die tijd veelal gebeurde reed vader Simoens net zoals de kolenhandelaar, de bakker en de bierhandelaar met paard en kar van hot naar her en maakte of repareerde manden of biezen stoelen.

Leopold Simoens

Leopold, één van zijn negen kinderen, wou meer en startte als eenvoudige commis in een hotel in Antwerpen. Hij groeide in het vak en werd zelfs zaalmeester in één der betere hotels in Antwerpen. In Blankenberge werkte hij eerst in het Hotel de Bruges maar realiseerde al vlug zijn grote eigen horeca-droom.

Leopold Simoens kon op 1 mei 1914 een klein pensionnetje huren dat eigendom was van de Comtesse De Pelici. Het hotel heette oorspronkelijk 'Le Mouton Blanc' maar Leopold Simoens herdoopte het in 'Hotel José'. De brave man kon toen niet vermoeden dat nauwelijks enkele maanden later de Eerste Wereldoorlog zou uitbreken.

Veel toeristen kwamen er toen niet naar de kust, maar gelukkig kon vader Simoens het hoofd boven water houden met handelsvertegenwoordigers, kaarters en passanten. Het geluk had hem wel wat geholpen want hij werd 'niet uitgeloot' en moest dus geen dienst nemen in het leger. Wel moest hij zich ter beschikking houden bij de brandweer als pompier, bij de politie of als brancardier om hulp bieden daar waar het noodlot toesloeg

Blankenberge was toen niet te vergelijken met de badstad van vandaag. De duinen strekten zich nog uit tot bijna in het centrum van de stad, vissersboten met platte bodem lagen op het strand. Op de zeedijk stonden veel kleine villa's waar de rijke bourgeoisie uit het binnenland elkaar probeerde de loef af te steken. Riolering was er nog niet en het gebeurde het vaak dat bij een onweer de achterliggende straten meteen blank kwamen te staan. Ook het Hotel José kreeg dikwijls de volle laag.

"In 1953 hebben mijn vrouw Thérèse en ik het beheer van het hotel van mijn schoonvader overgenomen" vertelt George Bouche, "we waren net getrouwd en in die tijd waren de arbeidsgewoontes en de discipline in het hotelwezen nog heel anders."

Voor het dagelijks onderhoud van de toen ongeveer vijftig kamers en met de volpensionformule voor alle gasten stonden er een twaalftal personeelsleden paraat. Vier kamermeisjes die ook bij het opdienen van de maaltijden een handje kwamen toesteken, vier dames in de zaal en vier mensen in de keuken ... Georges Bouche als chef-kok, een comis en twee mensen voor de afwas.

"In veel van de hotels in Blankenberge bestond de kern van het personeel uit mensen van het nabije hinterland" vertelt George, "zo hadden wij onder andere mensen uit Handzame waarop we konden bouwen. Vrij algemeen was de voertaal Frans in de horecazaken van Blankenberge. De menu's werden in het Frans geafficheerd, de klanten werden in het Frans aangesproken ... zelfs al waren alle personeelsleden Vlamingen, de voertaal in het hotel bleef Frans. Alleen als de chef-kok eens uit zijn krammen schoot, kwamen er enkele Vlaamse krachttermen uit", glimlacht Georges.

Het hotel was buitengewoon uitgerust. De vloer in de restaurantzaal was parket van een viertal centimeter dik, zoals in de meest luxueuze kastelen. Regelmatig werd de vloer 's morgensvroeg opgeblonken door het personeel. In de zaal stonden honderd De Coene-stoelen, elk genummerd met het bijzondere De Coene-herkenningsteken. Het waren luxueuze stoelen in gezandstraald eik met de typische ronde De Coene-rugleuning.

Hier wordt Georges Bouche melancholisch: "Degene die destijds van ons het hotel hebben overgenomen hebben die stoelen gewoon weggeschonken aan een Kortrijkse hotelier waar ze nog altijd in gebruik zijn. Eén of twee ervan zijn kapot ... maar alle andere zijn nog in prima staat. Spijtig dat die stoelen hier verdwenen zijn, gelukkig hebben de nieuwe uitbaters Inge en David die sinds 2011 het hotel uitbaten meer oog voor het waardevol interieur."

De grote verbruikszaal anno 2014

In de grote verbruikszaal hangen veel spiegels. Eén ervan springt bijzonder in het oog door zijn enorme afmetingen. De spiegel bedekt de muur van onderaan tot aan het plafond en is zeker vijf à zes meter breed. "De spiegel is zo groot zodanig dat hij moest worden binnengebracht en geplaatst nog voor de voorgevel werd dichtgemetseld", zegt George. De spiegel staat recht tegenover de comptoir, ook een subliem De Coene-product.

Om de eindjes ook buiten het seizoen aan mekaar te kunnen knopen, ging Georges Bouche aanvankelijk kooklessen geven aan Spermalie en De Groene Poorte in Brugge. "Vroeger werd alles zelf bereid in de keuken, alle sauzen ... alle vleesbereidingen. Nu is dat al heel vaak niet meer het geval", vertelt George, "ik heb nog gewerkt in Oostende, in de zaal van het Casino. De zaalmeester was daar Tosca, vader van de bekende Blankenbergse Robert Tosca. Van die man heb ik de discipline van het vak geleerd, meer dan eens kreeg ik de top van zijn schoenen op een delicate plaats als ik weer eens iets niet op de correcte manier had uitgevoerd."

Niet alleen de keukenrituelen moesten perfect zijn volgens het boekje, maar ook de kledij. "Ik huiver als ik vandaag Jeroen Meus of Piet Huysentruyt zie koken. Wij waren verplicht de koksbroek te dragen, bottines, een koksvest, een toque en een 'tour du coup', en we hadden altijd enkele keukenhanddoeken bij ons om een perfecte hygiëne te kunnen waarborgen. Had je één van de attributen vergeten, dan moest je er meteen om gaan. Was je binnen het kwartier terug, dan werd slechts één uur loon afgetrokken. Was je langer dan één uur weg, dan moest je op je verlofdag komen werken. Geloof me ... er was discipline in onze keukens. En binnen de brigade kon je een glas water van de kraan krijgen als je dorst had, maar meer niet!"

lees deel 2 © www.krantvanblankenberge.be